Met het boek in de hand

Literaire Fietstocht – Met het boek in de hand
Fiets door Amsterdam met dit boek in de hand! De route gaat langs plekken die een rol spelen in de prachtige roman Over de Liefde van Doeschka Meijsing.

Vooraf
Ooit liep ik de literaire wandeling aan de hand van het boekje “Wat Doe Jij In Mijn Stad? een literaire wandeling door het Amsterdam van J.J. Voskuil”. Wandelen door Amsterdam langs plaatsen die een rol spelen in de romans ‘Het bureau’ en ‘Bij nader inzien’.
Bij het lezen Van Doeschka Meijsing Over de liefde kijk je ook mee door de stad. Plekken die je goed kent of minder goed. Ik kreeg zin in een Literaire Fietstocht!

Veel lees- en fietsplezier

NB 1 Eerst het boek lezen, dan pas op de fiets!
NB 2 Ik geef geen enkele garantie dat alles klopt.

Hier vind je een tekstversie pdf om te printen.


1. Zorgvlied
We beginnen verdrietig, met een bezoek aan het graf van de schrijfster op Zorgvlied.

“In memoriam Doeschka Meijsing (1947-2012)
Met een sigaret in de ene hand en een glas in de andere hand was Doeschka Meijsing een bekende figuur in de Amsterdamse literaire wereld. Haar levensdoel was schrijven, ‘alsof elke ochtend splinternieuw is en de overblijfselen van het feest van gisteravond bijeengeveegd moeten worden in taal’, zoals zij het zegt in haar roman 100% chemie. Het laatste wat ze wilde, was het zichzelf gemakkelijk maken. Zij wrong het leven uit tot het pijn deed.”

“Doeschka Meijsing kon ruw en fluweelzacht zijn, in woord en daad. Fel van zich afbijten in intellectuele discussies. Sentimenteel zijn als het ging om de liefde en de literatuur. Maar altijd was haar schrijven van superieur niveau. Nederlandse literatuurliefhebbers zullen haar en het werk dat ze nog schrijven wilde missen.”

“Op de een of andere manier zijn mensen bang voor mij. Als ze me beter leren kennen, vinden ze me ontroerend. Is dat geen merkwaardige combinatie? (…) Ik hoor vaak: je kijkt alsof je iets heel gevaarlijks zit uit te broeden, maar als we even tegen je aantikken, begin je te stralen en te rinkelen, kan de draaimolen beginnen.”

klik om te vergroten

Geerten Meijsing over zus Doeschka: Haar dood was voor mij een ramp. Mijn familie hield op te bestaan

[….] Zelf sliep ik op de bank, en maakte voor haar het enige dat ze lekker vond, zelfgemaakte patatjes. Dat deed ik graag. Verder heb ik haar nooit zien eten. Ja, in haar studententijd at ze hardgekookte eieren en dubbelzoute drop, meer niet. Wonderlijk dat ze zo gedisciplineerd kon schrijven.

‘Ik heb veel van haar geleerd. Bewonderenswaardig zelfstandig was ze. Heb altijd mijn vriendinnen tegen haar afgezet; niemand van hen kon voldoen aan dat model van moed en werkkracht.

Doeschka vond altijd dat ik een klein jongetje was gebleven dat maar aan zijn speelgoed verknocht blijft. Daar kan ze gelijk in hebben gehad. ‘Toen ik dit voorjaar in Amsterdam opnieuw moest leren lopen, voerde mijn eerste wandeling naar Zorgvlied, dat ik Zeldenrust noem. Het was ver. Ik deed er heel lang over. Op dat kerkhof raak ik altijd de weg kwijt. Ik wéét dat ik in het rondje moet zijn waar oud-minister Duisenberg en oud-burgemeester Patijn liggen. Toch moest ik eerst weer terug naar de entree, om de route uit te printen. ‘Omdat ik een doel had, volbracht ik de tocht. De duisternis viel inmiddels in, en het begon zacht te regenen. Uitgeput en voldaan stond ik daar, bij het graf van Doeschka.‘ “

Lees later het hele interview:
Haar dood was voor mij een ramp

Het graf is mooi en liefdevol verzorgd door Jula, dat kan bijna niet anders.

“Feilloze Jula!”

“Dat was het gekke met Jula […] beschouwde ik haar nog steeds al de meest betrouwbare persoon met wie ik de Autoroute du Soleil op zou rijden, de hele hete weg van noord naar zuid, en ik zou nooit omkeren of omkijken […]

“Jula had echt haar best gedaan, de keuken was spic en span, mijn geschriften en boeken had ze tot beheersbare stapeltjes teruggebracht, de slaapkamer blikte me uitnodigend tegemoet en overal stonden bloemen in vazen, ze moest vazen hebben bijgekocht, overal bloemen.
[…]
‘Ik wil het niet weten,’ zei ik snel, ‘het lijkt hier wel een rouwkapel.'”

We lezen:
p.107 Ik zat dom op de bank
tot halverwege p.108
Trek nog even de telefoon eruit,’riep ik haar na.

We eten: hardgekookte eieren en dubbel zoute drop


2. Voetveer

 …. een fietstochtje langs de Amstel naar Ouderkerk…
‘Ik zwijg als het graf, dame,’ zei de schipper.

We lezen:
Bijna onderaan p.227 Toen ik bij het veer kwam […]
tot helemaal onderaan p.228
[…] Het was vol, haast te veel, het was groot.

We drinken: twee liter water
Een keer of zes liet ik me overvaren….


3. ’t Kalfje


….toen stapte ik aan de stadszijde weer op de fiets om een glas te drinken bij ‘t Kalfje. Ik at er een uitsmijter.

We lezen: p.229

We eten:
Een uitsmijter


Extra Abcoude:
Aan de Hoogstraat 40 in Abcoude staat de voormalig dokterswoning van Buri Vermeer. Pip ging trouwens met de trein. Ze fietste ooit wel van Haarlem naar Abcoude.

Ik probeerde er uit alle macht niet aan te denken hoe ik als twaalfjarige, op net zo’n warme zomerdag, zonder iemand iets te vertellen van Haarlem naar Abcoude was gefietst om een glimp op te vangen van hoe ze woonde. Het was heen en terug een dagreis. Mijn ouders prezen me om mijn sportieve mentaliteit.

Het was een voormalige dokterswoning, met een voordeur voor de bewoners en nog een zij-ingang voor de patiënten. Ik deed niet leuk, ik belde niet bij de zijdeur aan.

We lezen:
p.208
Het was een mooi en kalm huis […]
‘Zullen we in de tuin gaan zitten nu het nog niet te warm is?’

en p.216
De volgende dag klopt ik weer aan bij Buri Vermeer. We nestelden ons opnieuw in de lome tuin, alsof het onze gewoonte was dagelijks bij elkaar op visite te komen.

We eten:
kleine liflafjes
We aten er wat zij noemde ‘kleine liflafjes’ bij, een heilbotrolletje met een flintertje ananas erop, een stukje tonijn met een schilfertje gember, dat soort dingen.

We drinken:
witte wijn of citroen granitoijs met scheppen suiker


4. Café de Gruter

‘Wat deed je daar op de Willemsparkweg?’ vroegen ze als uit één mond – mijn familie is namelijk helderziend. (p.79)

Ik gaf toe, ik had het ook altijd een naam gevonden om te onthouden, Willemsparkweg, terwijl er in heel Amsterdam geen park, zelfs geen prieeltje van Willem te bespeuren was.
‘Ik weet het niet,’ moest ik bekennen.
(p.81)

We lezen:
vanaf p.66  Op de Willemsparkweg besloot ik bij café Gruter een kop koffie te drinken. […] 
helemaal tot p.68  […] En toen niets meer.

We drinken: tonic met klontjes ijs en een schijfje citroen


5. Café De Huyschkamer

We lezen:
p.24
Er waren er drie op één dag jarig geweest […]
[…] toen hij als jonge god de planken op stapte.

We drinken:
miniflesjes rode wijn van Albert Heijn

We eten:
rolletjes wit brood met zalm en kaas

We zingen:
Zing, vecht, huil…


6. Café Marcella

Ik kende de gelegenheid op de Prinsengracht waar Jula wilde reserveren. […]

Ik herinnerde mij de auto’s die stapvoets langs de tafels met gasten reden, het zachte geklots tegen de kade van de woonboten in onze rug, de boten met lichtjes die over de gracht voeren en de mooie sikkel van de maan aan de hemel.
(p.204)

Ik was gelukkig.

We lezen:
p. 229
‘s Avonds koelde het nauwelijks af. […]
tot
[…] zei Francine of Sabine of Sabette, er was één Johanna bij, die herkende ik onmiddellijk.

We drinken: Chablis
We eten: Citroenijs met wodka

[…] de lage reling die inparkerende auto’s ervoor moest behoeden […]

We lezen:
Van p.231 onderaan
Pas toen iedereen klaar was […]
tot p.232
[…] het water tegemoet


7. Kerk De Duif

Op de gevel van de kerk stond, […]
Op deze plaats geef ik je vrede. […]
dáár wilde ik aan wal, op die plaats zou ik opnieuw beginnen.

We lezen:
p.233 vanaf
Met grote slagen zwemmend had ik er wel plezier in […]
tot p.234
[…] Niet bang zijn, we halen je naar boven,’ zei hij.

We drinken: iets warms en zoets


Extra:
8. OLVG
Oosterpark 9

Ik heb elke nacht in dat ziekenhuis klaarwakker gelegen, starend naar de geel-blauw-rode neon hoofdletters OLVG, levensgroot hangend aan een  blind stuk muur dat haaks op de ziekenboegen stond.

De centrale ingang van dit aangenaamste ziekenhuis was een hoge straat met een glazen puntdak, [….] op weg te zijn naar de hemel.

We lezen:
p.92 Ik wist niet hoe de dagen waren, […]
tot p.93  […] daar zorgen wij namelijk voor.



© Janneke Vorst 11 juni 2020